Borsten en sex stofzuiger neuken

borsten en sex stofzuiger neuken

Als een gemeenteklok eenmaal stilstaat, is het einde nabij. De klok op de hoek van de Beethovenstraat en de Stadionweg die zo lang op tien over acht heeft gestaan, is verdwenen. De paal waar hij op stond, staat er nog, een beetje verdwaasd, als een grutto in het vroeg gemaaide gras. Op de hoek waar de paal staat, kon je op zoele zomeravonden van lang geleden vaak een kleine maar opgewonden samenscholing treffen.

Het middelpunt van de ­samenscholing was een schone op een scooter, die zich alle belangstelling graag liet aanleunen, de schone meen ik. Haar leuke zusje heette Vivian. Vivian kende ik van de tennisbaan. Vivian kon niet tennissen, maar onder haar tennisrokje droeg ze petticoats in zeven kleuren.

Om de een of andere reden maakt dat vergevingsgezind. Vivian en haar zusje woonden in een enorm appartement, dat uitkeek op de gemeenteklok. Ik heb daar voor eerst een voetbalwedstrijd op tv gezien. Nederland-Duitsland, of omgekeerd, dat weet ik niet meer.

Op een keer stond ik voor de reusachtige boekenkast met een scheef hoofd de titels te lezen toen haar vader in het voorbijgaan liet weten dat ik uit de kast mocht­ ­lenen wat ik wou, als ik de boeken maar weer terugbracht.

De vader was impresario en ­beroemd ­geworden door bij het Centraal Station op een treinstel een opgezette walvis tentoon te stellen. Je kon erin, in de walvis. Door zijn wijd opengesperde ­kaken betrad je zijn binnenste, waar het stonk en niets te zien was. Maar je was wel in een walvis ­geweest, en wie kon je dat nazeggen, behalve ­Jonas dan. Ik denk dat er geen straat in Amsterdam is die zo vaak van naam verandert als de Ceintuurbaan: We zaten bij Par Hasard onder de bomen en keken de Ceintuurbaan af, die hier inderdaad Ceintuurbaan heet.

Er fietste een man voorbij met een bas op zijn rug en in de bocht naar de Ferdinand Bolstraat passeerde de 24 de Terwijl een meisje onze friet kwam brengen, met een biertje en een glaasje wijn erbij, kwamen er uit het studentenhuis dat boven het café ­gevestigd is een heleboel jeugdige personen tevoorschijn die zichzelf een leuke avond beloofd hadden.

Ze hadden er zin in, dat zag je aan alles. In de bocht van de Ferdinand Bol passeerde een 24 een 24, een man op een fiets reed banjospelend voorbij, terwijl de zwangere vrouw tussen tafel en bank vandaan probeerde te komen. Hij rekende af en hand in hand liepen ze richting Sarphatipark. Toen het visje soldaat gemaakt was, gingen wij ook.

In de bocht van de Ferdinand Bol passeerde een 24 de Langs het Jollenpad reed ik naar de plek waar ik een rij huisjes wist te staan, direct aan het water, met voor de deur een tuin en een lange steiger. Wij gingen daar regelmatig op bezoek. Tante Ans zat aan een laag tafeltje en sprak als Sint Franciscus met de mussen die in kleine groepjes samendromden aan haar voeten. Af en toe waagde een mus zich op het tafeltje en de brutaalste onder hen zaten haar in het haar of pikten een broodkruimel tussen haar lippen vandaan.

Tante Ans had twee dochters van wie ik de namen was vergeten. Bij de huisjes aan het pad die onveranderd leken, stond een al wat oudere vrouw.

Ik legde uit waarom ik niet verdwaald was, waarop zij vroeg of ik de naam wist van de mensen waar ik als kind op bezoek kwam. Tijdens mijn biertje en een onvergetelijke portie ossenworst raakte ik aan de praat met een vrouw die vertelde dat ze eerst rechten had gestudeerd en toen onderwijzeres was geworden.

Tegen de kinderen zei ze altijd: Ik heb een vriend met een ­auto. Als hij in zijn auto rijdt en mij ziet fietsen, komt hij me achterop, draait zijn raampje open en roept iets als: Een keer, we reden in de Hondecoeterstraat ter hoogte van de ­inmiddels gesloten Melkhandel waar ze zulke lekkere broodjes verkochten, dreigde het lelijk uit de hand te lopen. Mensen in de winkel kozen partij voor mij en voor de fiets tegen de auto en zijn bestuurder, waarna enkele stratenmakers zich solidair verklaarden.

In de tram gaat het ook. Ik wist dat zij jou zwaaien ging. Op brug over het Amstelkanaal staat op iedere hoek een huisje met een pannendak. Als je de Schilderskade af komt in de richting van de Amstel, zie je dat het in eerste huisje True Beauty is gevestigd, een skin care center.

In het huisje aan de overkant zit een meneer aan een grote tafel met een laptopje erop in zijn eentje Mise en place te wezen. Toen ik als jongen op de banen bij de Apollohal tenniste, zat hier een sportwinkeltje. De man van het winkeltje bespande tennisrackets, met nylon en met kattendarm, en dat deed hij zo goed, dat je als je met een door hem bespannen racket speelde niet verliezen kon. Verder dan het vervangen van een of twee gesprongen snaren kwam ik niet.

Maar dat ze door hem waren vervangen, hielp al. Het mooie van Pizzeria San Marco en is dat je je pizza ook met de boot kunt afhalen. Of dat ook gebeurt, vroeg ik aan de Italiaan die in het keukentje voorbereidingen trof voor het dagelijkse pizza bakken, maar omdat hij de vraag niet begreep, kon hij geen antwoord geven. Het glas nooit vol, maar ook niet leeg, en zonder al te veel te zeggen.

Streepjes op een bierviltje hielden de score bij. Af en toe bracht de barkeeper de telefoon en zei: Het glas werd vaker bijgevuld dan het kannetje, zodat cola met jenever van cola met ­jenever langzaam veranderde in jenever met cola en van jenever met cola in jenever. We rookten filtersigaretten en mijn vriend had zijn zonnebril opgehouden. Van tijd tot tijd namen we een biertje om het weg te spoelen.

Dat ­betekende dat hij iets gewonnen had met het paard waarop hij had ingezet in café Cramm op de Nieuwendijk. Maar straks was nog ver en naar Cramm kon altijd nog. Voorlopig zorgde de zon die voor de deur lag en aan de ruit hing nog voor zoveel licht dat van verkassen geen sprake kon zijn.

De gelukbrengende ­halve centen, zoals ­verkocht door de postzegelwinkel bij mij om de hoek, kosten twee euro vijftig per stuk, maar voor een tientje koop je er geen vier, zoals ik schreef, maar vijf. Plus dat geluk dus. Aan de wand, tussen de duizenden postzegelalbums, hing een foto van Parnassus in een vorig bestaan. Het oude postkantoor in de Gerard Terborgstraat, dacht ik, bijna goed, maar toch fout, want het was het voormalige hoofdpostkantoor aan de Nieuwezijds.

Ik kwam er graag. Ik was dol op de rijen voor al die loketten, ­loketten voor brieven, loketten voor pakjes, voor postzegels en ­filatelie, voor aangetekende stukken, de postgiro en poste restante, en het leukst van allemaal, voor telegrammen.

Ik stuurde vaak voor de lol een telegram om het in gedachten te volgen op zijn avontuurlijke reis. Er stonden ook tafels waaraan je plaats kon nemen om een brief te schrijven of zomaar wat te zitten. Het viel niet te ontkennen. Weer op straat raakte ik in gesprek met een jongetje met een masker dat hem als hij het opzette in Zorro veranderde. Toen ik het poortje naar de binnentuin binnenging, rende hij naar zijn moeder en riep: Ik wil niet opscheppen, maar mooi dat ik wel een van de weinige mensen ben die ­zowel Lubbert van Gortel als Drika hebben gekend.

Dat komt doordat ik een op een personeelsfeestje ben geweest waar ze allebei optraden. Het feestje vond plaats op de Bep Glasius, het vlaggenschip van Rederij Koppe die zijn schepen achter het Centraal Station had liggen en kantoor hield in het inmiddels verdwenen Storkhuisje.

Op dat feestje kwamen ze de loopplank over als Henk Jansen van Galen en Annie Palmen, maar al tijdens het schutten in de Oranjesluizen hadden ze zich verkleed als Lubbert en Drika, dit wel zeggen als namaakboer en namaak vissersvrouw in verzonnen klederdracht. Ik zei dat ik een groot fan was en altijd naar de Boertjes van Buuten keek, maar ik geloof dat ze mij niet erg geloofden.

Ik geloof dat ze zelfs dachten dat ze in de maling werden genomen, maar ik meende het. Maar als er een nieuwe eigenaar ten ­tonele verschijnt, heb je daar niets aan. Meedogenloos gaat de sloopkogel erin, weg schitterende glasgevel, weg uitbouwen en ornamenten, weg meesterwerk van Jan Kuijt de architect die ook de uitzinnige kerk van Halfweg op zijn naam heeft staan. Niemand heeft zijn stem laten horen in een poging dit kwaad te voorkomen en nu is het te laat.

Een eindje verderop op het ­Rokin is ook iets vreemds aan de hand. Kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae heeft zijn deuren opengegooid en laat middels grote schoolborden weten dat je er terecht kunt voor diner. Zitten ze plotseling in een club waar iedereen lid van is. Is het dan nog wel een club, kan je je afvragen. Als ik langs Arti kom, kijk ik naar het stuk kademuur aan de andere kant van de straat, recht tegenover het kantoortje van rederij Kooij.

Uit de nevelen van het verleden doemt een meisje op, een jonge vrouw met donker haar en donkere ogen die haar voeten boven het water bungelen laat, terwijl ze een Dunhill blauw met filter rookt. Ik gids een laatste rondvaart door nacht en gracht en als we afgemeerd zijn en ik de fooi gedeeld heb met de kapitein en over het water naar de kade kijk, zwaait ze naar me met haar sigaret die ­oplicht in het duister.

Vlak voor Huis Te Vraag aan de Rijnsburgstraat staat een bord dat een wandelpad belooft. Eenmaal op het pad zie je een ander bord dat zegt: Het pad, dat drie tegels smal is, gaat achter Te Vraag langs en langs de woonboten aan de Schinkel, waarvan de meeste zich als villa hebben vermomd, met riante terrassen voor de deur of op het dak.

De ­inhoud was helaas teleurstellend. Vlak voorbij Poldergemaal Jaagpad 25 A kwam ik een man achterop die een gereedschapskist op zijn schouder droeg.

Om me te ­laten passeren, ging hij in de berm staan. Dat schip waar ik werk was bijna gezonken. Ik ben nu al drie maanden bezig. Eenmaal bij de sluis was het lawaai zo oorverdovend dat ik vreesde voor de geestelijk welvaren van de bewoners van de boten hier. Ik zou binnen een dag rijp zijn voor opname.

Vanuit de Vijzelstraat ga ik de Herengracht op om even langs het huis van de burgemeester te ­komen. Als de rondvaartboot langs het huis van de burgemeester voer, zeiden wij: Nu valt er niet veel te lachen als je het huis van de burgemeester passeert, alleen maar te hopen, en hem sterkte en het beste te wensen.

De brug over de Reguliersgracht die ik in zicht krijg, is een van de steilere klimmetjes van onze stad. Tot mijn schrik zie ik dat de brug vol staat met scholieren die poseren voor een groepsfoto.

Ik weet hoeveel moeite het mij gaat kosten om boven te komen en welke commentaren dat gaat opleveren.

Op de top wuif ik en ze zwaaien terug, allemaal. In de afdaling naar de Amstel passeer ik zesenwtintig in identieke T-shirts gestoken bouwvakkers die naast elkaar hun boterhammen met theeworst zitten te ­besmeren. Of was het pindakaas? Het schouwspel heeft me hongerig gemaakt.

Er staan vijf bankjes, alle vijf zijn ze bezet. Bij Quick, de lijstenmaker op de Ceintuurbaan waar ik een piepklein dingetje bracht om ingelijst te worden, vroeg ik aan Job die onlangs vader is geworden hoe het met de kleine stond, of hij de tafel van acht al kon opzeggen en naar welke middelbare school hij ging en meer van dat soort grootvader flauwiteiten.

Dat niet nee, maar de baby was inmiddels anderhalf dus kon al wel van alles. Job grinnikte, en zei toen dat hij met een Griekse ­getrouwd was. Gerustgesteld ging ik de deur uit, richting Concertgebouw en vandaar door de Van Breestraat naar de Valeriusstraat. De Valeriuskliniek is definitief verdwenen. Het enige wat nog aan het gebouwencomplex herinnert, is een kale zandvlakte met een hek er omheen. Maar in de straten van Zuid bloeien de rozen, rood en wit, geel en rose, theerozen, tuinrozen, klimrozen tot aan de daklijst of tot in de kruin van een uitgebloeide meidoorn.

Toen ik wilde betalen, bleek de boel op slot te zitten, maar een bordje zei: Dat kwam pas toen ik uit een bak een ­Amsterdamsch stratenboekje kocht. Het is uit , toen het 20 cent kostte. In de eerste plaats zijn er de straten die er nog niet waren. Ik was er nog niet in , maar de Esmoreitstraat waar ik geboren ben ook niet. De hele Bos en Lommer moest nog gebouwd worden. De Rivierenlaan was er ook nog niet, maar de Rijnstraat weer wel, net als de Vechtstraat.

Ook interessant zijn de verdwenen straten, die zich met name in de Jodenbuurt bevonden. De bewoners werden vermoord, hun huizen gesloopt en de straten van de plattegrond verwijderd, Joden Houttuinen, Zwanenburgerstraat, Lange Houtstraat, Moddermolensteeg, Lazarussteeg, Vlooienburg, alles verdwenen. Net als de gangen. De eerste straat in het Amsterdamsch stratenboekje is de Aalsmeerdergang, bij de Lindengracht.

Daarna spotte ik de Arke Noachsgang, de Baafjesgang en toen maar liefst zes Bakkersgangen. De hele stad bleek vergeven van de gangen, Hoedenmakers, Klokken, Koehouders, Kuipers, Rozenmarijn, Rozennobel, Schelvis, Schoenmakers, Schuitenvoerders, Slachters, Sleepers, gangen, gangen, het houdt niet op. De doodlopende steeg die ik aan het begin van dit Gelukje betrad, bevindt zich in de Hazenstraat, zo tussen Kunstverein en Galerie Stigter Van Doesburg.

Hij is anderhalve meter breed. De gang heeft geen naam, maar was vroeger, denk ik, een van de acht Gruttersgangen die de stad rijk was. Voor de draaideur van de Albert Heijn stond een man met vier bananendozen aan zijn voeten.

De bananendozen waren op ­elkaar gestapeld en reikten tot iets boven zijn knieën. De man keek een tijdje naar de dozen en liet zich toen door de knieën zakken in een poging de vier dozen in een keer op te tillen. Toen dat niet lukte, splitste hij de stapel in tweeën en probeerde twee dozen onder ­iedere arm te nemen. Toen dat ook niet lukte, zette hij de vier ­dozen naast elkaar en probeerde ze zo op te tillen, wat niet lukte.

Tenslotte stapelde hij ze weer op elkaar, tilde ze op en liep weg. Mij enigszins verbijsterd achter ­latend. Na een jaar in de diepvries werd de haring toch minder, maar ik had gelijk, het was niet meer zo als vroeger, toen haring aan het eind van het seizoen bruine vlekken kreeg en wel erg tranig smaakte.

Vandaag is de nieuwe haring er weer en zijn alle haringkarren in de stad voor een dag een klein ­cafeetje. Ik heb een vriend in Smilde.

Als we elkaar spreken, spreken we elkaar in Amsterdam en dan zegt hij dingen als: Dat ik herken omdat ik een vorig leven een paar maanden in Zuid-Laren heb gewoond, vlakbij de Brink, boven de elektrawinkel van De Boer. Of woorden van gelijke strekking. Het was winter en de kraan van de wastafel op mijn kamer was permanent bevroren, een interessante ervaring. Als ik van station Assen naar Zuid-Laren fietste en dat deed ik af en toe, kwam je langs de hunebedden, grote stenen die op stapeltjes in de hei ­lagen.

Onze Man uit Smilde en ik spreken af bij Luxembourg of Kapitein Zeppos, waar we bij een broodje gezond ingewikkelde dingen bespreken. Deze keer zaten we in het café van het Stadsarchief.

Aan het eind van onze bespreking gekomen, stelde ik voor de tram naar het Centraal te nemen. Maar daar voelde Onze Man uit Smilde niets voor. Hij ging lekker op zijn gemak door de Kalverstraat, een beetje snuffelen.

Ik was paf, zoals Hanny Michaelis het in haar dagboek noemt. Iemand die voor zijn plezier door de Kalverstraat ging lopen. Het kon niet waar zijn. Ik besloot toch eens in Smilde te gaan kijken. Huis Te Vraag aan de Rijnsburgstraat is een van de wonderen van de stad.

De aula stond op instorten en de graven en de paden tussen de graven waren overwoekerd door onkruid. Maar mooi was het er. Ik herinner me dat in het conciërgehuisje bij de ingang nog ­oude kranten op tafel lagen, alsof de Cerberus die de toegang bewaakte nog maar net was vertrokken, terwijl de begraafplaats al sinds is gesloten. De laatste keer dat ik Te Vraag aandeed, was in het begin van de jaren negentig, in het vroege voorjaar.

De aula werd bewoond, de ­paden waren weer toegankelijk en de grafstenen zichtbaar. Er stonden bijenkorven in de perken, overal bloeiden sneeuwklokjes en de knoppen van de kastanjestruiken liepen roodbruin en kleverig uit. Bijna dertig jaar later steek ik het bruggetje dat naar de toegang leidt weer over. In het congiërcehuisje staat een hoog tafeltje met de daarop een vaas met bloemen. Op de trappen voor de aula staan rijen geraniums met een enkele blauwe lobelia ertussen.

Bij de tuinvrouw die net op haar fiets stapt, informeer ik of ze de geraniums heeft overgehouden, maar nee, dat blijkt niet het geval. Tegenwoordig zijn ze allemaal opgekweekt. Er bloeien margrieten, egelantieren, boterbloemen, de buxushagen zijn geschoren. Een tikje keurig allemaal, maar het blijft een wonder, Huis Te Vraag. Mijn grootvader die dat ook deed, kocht er altijd zes, spatjes, zodat hij altijd dronken thuis kwam. Vaak bracht hij ook een hondje mee uit het café.

Ik nam er altijd een. Bij de Schouw, bij Westers of de Muizenval. Ze hadden ook een drietafeltjesterras, vier tafeltjes mocht niet van een wethouder die later Tolpoort bleek te heten en die alle bruggen van de stad haringkar- en bloemenstalvrij wilde maken. Vanaf het drietafeltjesterras keek je de Bilderdijkstraat uit en zag je het water van de Jacob van Lennepkade onder de brug verdwijnen, de brug die nu één groot­ ­terras is.

Ik stond in de Gerard Terborgstraat mijn fiets van het slot te halen toen ik werd aangesproken door de mannelijke helft van een echtpaar. Met de 12 bent u er zo. Ze droegen allebei wandelschoenen zag ik. Ik had even een tekeningetje voor ze moeten maken, dacht ik nadat ze hun weg hadden vervolgd. Wegvragers zijn inderdaad zeldzaam geworden, maar ze zijn er nog, echtparen op wandelschoenen, Japanse meisjes die met de tram naar de Heineken Experience willen, Oost-Europese mannen op de Dam die de Wallen niet kunnen vinden.

Misschien moeten we ons eerder afvragen wie de weg nog weet. Ik moest eens in de George Gershwin­laan zijn, in Buitenveldert. Ik wist ongeveer waar die was, bij de De Boelenlaan, en ik wist dat ik vlakbij was, maar ik kon hem niet vinden, en wie ik het ook vroeg, geen mens wist waar hij was. Toen ik het gebouw waar ik moest zijn eindelijk gevonden had, had ik geen idee hoe ik er binnen moest komen.

Een deur is open of een deur is dicht. Het is de ­titel van een stuk van ­Alfred de Musset, en een uitspraak waarover ik nog lang niet ben uitgedacht. Altijd komt ie weer langs en altijd is ie in al zijn helderheid even mysterieus. En nu las ik dat er huizen bestaan zonder deur, zonder voordeur wel te verstaan, over de situatie binnen werd, meen ik, geen uitsluitsel gegeven.

Geen deur, dat is nog eens iets anders dan een touwtje door de brievenbus. Of een deur die altijd aan staat. Of niet op slot zit. Ik weet er een in een huis in Zuid Frankrijk, waar ik graag kom, onder meer door die deur­loze wc, want het heeft wel wat om op een wc niet tegen een deur te hoeven aankijken.

In The Sopranos zit Johnny Sack op een deurloze wc te kakken en een sigaret te roken, terwijl hij in gesprek is met Tony Soprano en zijn adjudanten. Niemand lijkt er van op te kijken.

Mijn geliefde vertelt graag dat toen ze voor de eerste keer bij mijn ouders thuis kwam, mijn moeder met open deur op de wc zat. Dat is bijna een halve eeuw geleden en een open deur is nog wel even iets anders dan geen deur, maar ze is het niet vergeten. In het huis waar ik ben geboren, zaten twaalf deuren, heb ik uitgerekend, kastdeuren meegerekend.

Die deuren zaten allemaal dicht, op de deur naar de huiskamer en de deur naar de keuken na. In het begin van de jaren vijftig heeft mijn vader al die deuren een voor een in een andere pastelkleur geschilderd. Toen wij kwamen wonen, waar we wonen, was de route van de 24 net verlegd. Bij het Roelof Hartplein ging hij niet langer rechtsaf richting Ceintuurbaan, maar linksaf richting Gabriël Metsustraat.

Dat duurde tot de 24 plotseling verdween. Maar zie, na een jaartje of twintig tijdelijke werkzaamheden ging de Ferdinand Bol weer open en keerde de 24 terug op zijn oude route. Bij mijn eerste ritje voelde ik me toerist in eigen stad. Wat een opwinding, rechtsaf de Roelof Hartstaat in, geweldig, linksaf naar de Ferdinand Bol, nog mooier! Pas bij de Albert Kwiep kwam het hart tot rust. Ik wou naar het Stadsarchief, maar de halte bleek opgeheven, en dus stond ik ineens op de Munt.

Ik liep terug door de Carlton-galerij toen mijn aandacht werd getrokken door een A4-tje met de foto van een poes: King hem terug wilde hebben, maakte me blij. Een tijdje terug at ik een stukje bij een restaurant waar een poes rondliep die ons werd voorgesteld als Máxima, de koningin van het restaurant. Maar toen Máxima even later door een enorme hond gegrepen werd en we de dierenambulance moesten laten komen die een bijdrage in de kosten vroeg, kende het restaurant zijn koningin niet meer.

Gelukkig kon de zwaargehavende poes na een inzameling worden opgelapt en vond zij als Bikkel een nieuw baasje, ver van dat akelige restaurant. King ga ik binnenkort eens eten. Ik ging het IJsbaanpad af en was het sluisje in de Schinkel overgestoken toen ik ter hoogte van de Pilotenstraat de roep van de koekoek hoorde. In de verte, want de koekoek roept ­altijd in de verte.

De stad zit vol vossen, bevers, bunzings, ooievaars, allemaal dieren die je vroeger nooit zag, maar de mussen zijn er van tussen en de koekoek zwijgt als het graf.

Vandaag is alles anders zou ik bijna zeggen. Als kind zat ik vaak op een zeilboot. Die boot lag tussen twee steigers die je bereikte door een lang pad af te lopen dat tussen allerlei houten loodsen door meanderde. Op de zeilboot tussen zijn twee steigers was het altijd doodstil. En plotseling kwam dan over het water de roep van de koekoek. Enkele jaren geleden begon het me plotseling op te vallen dat ik steeds meer jonge Aziatische vrouwen van kleur over melkwitte kinderen zag moederen.

Ze duwden ze voort in karretjes, speelden met ze in het park en fietsten met ze in de bakfiets. Ik vond het opmerkelijk dat deze vrouwen zulke witte kinderen hadden. Ik heb nogal wat witte vrouwen gekend die kinderen hadden met Chinese mannen en die kinderen hadden allemaal iets Chinees meegekregen. Maar misschien was het omgekeerd wel omgekeerd, bedacht ik. Totdat iemand me vertelde dat de vrouwen niet de moeders ­waren van de kinderen, maar hun oppassen.

Ik heb, denk ik, een beetje de neiging raadsels te creëren, ook waar ze niet zijn. Karel van het Reve heeft eens een stuk geschreven, waarin hij ­iemand opvoert die op Sicilië binnen tien minuten drie keer ­iemand tegenkomt die maar een been heeft en daaruit afleidt dat er in Syracuse bovengemiddeld veel mensen met een been rondlopen.

Ik ben die iemand, iemand bovendien die ook nog eens aan het piekeren slaat over de vraag hoe het komt dat er zo veel eenbeners zijn in Syracuse. Ik fietste langs de nieuwe kunstroute op de Apollolaan die net als de vorige uit de koker komt van Rudi Fuchs, een met een hoger ­niveau dus en een prijskaartje, toen ik drie keer achter elkaar werd ingehaald door jongens die een andere jongen op hun bagagedrager hadden staan. Wat is dit, dacht ik.

Een trend, een nieuwe rage, een club? Ondertussen keek ik naar de beelden op de route en voelde heimwee naar de Tinguely, de gouden schildpad en het vliegtuigje van Joost Conijn uit de tijd dat de beeldenroute het nog zonder hoger niveau en prijskaartje stellen moest.

Stilte is een zegen. Waar wij wonen is het stil. Wel hoor je af en toe geluiden. Geluiden die ik niet kan thuis brengen, vind ik het leukst.

Boven ons wordt iets over de grond geschoven, tenminste zo klinkt het, maar wat? Het zal toch niet. Niemand schuift toch een paar keer per week een bank over de vloer? Dat doe ik door de filter met een klap tegen de rand van de prullenbak te slaan. Ik heb het haar nog nooit gevraagd. Het duurde lang voordat de koffiepot door pruttelen aangaf dat de koffie klaar was, zo lang dat mijn geliefde vroeg of ik misschien vergeten was water in het reservoir te doen.

Waarop ik haar eraan herinnerde dat ze een keer chili con carne zonder carne had gemaakt, wat uitstekend smaakte overigens. Op gehaktdag maakte mijn moeder macaroni met ham en kaas, een uitheems gerecht in die ­dagen. Op een keer liet de kaas zich maar moeilijk kauwen.

Wat kwam, zoals we na een tijdje ontdekten, doordat mijn moeder de papiertjes tussen de plakjes kaas had meegekookt. Als je Gerard Kornelis van het Reve opbelde, vertelde R.

Van het Reve had net zijn Brief uit Edinburgh gepubliceerd en veranderde in razende vaart van de ambachtsman die probeert het Engels onder de knie te krijgen of de wetten van het toneel te doorgronden in de geestige provocateur die hij altijd al was, maar die hij tot dan buiten zijn werk had gehouden. Maar er is nooit opgeroepen tot een boycot van Reve die in zijn voor- en achternaam veranderde , schreef Wouter van Oorschot ­onlangs in verband met de damesoproep tot boycot van een stijlloze website.

Een ketting kan lang zijn. Omdat we het over vroeger hadden, vertelde Hans een mop die hij van Genna Sosonko had gehoord. De mop ging zo: Het stoplicht bij het Concertgebouw stond op groen, dus ik­ ­begon aan de oversteek, maar bus bleek aan dat stoplicht geen boodschap te hebben en sloeg ­resoluut rechtsaf de Lairessestraat in. Op mijn rijwiel maakte ik een snelle schatting waaruit ik ­afleidde dat ik onder de achterwielen van de bus geplet zou worden. Om dit te voorkomen, kneep ik in mijn remmen, waarna ik over mijn stuur heenvloog en als door een wonder een redelijk zachte landing maakte tegen twee dames die zojuist het Concertgebouw hadden verlaten.

Toen ik thuis de gehavende ­Lucebert-catalogus opensloeg, was het eerste wat ik zag zijn tekening Gevallen fietser uit Van huis fietste ik op een andere fiets naar een afspraak die me vertelde over een vriend, een oude man met wie het niet goed ging en die niet goed meer wist wie hij was.

In een moment van helderheid had de oude man hem gevraagd, wat hij in zijn leven eigenlijk gedaan had. En van goede wijn. Op weg naar ramsjwinkel Steven Sterk kwam ik langs Shoebaloo in de Leidsestraat, de schoenenwinkel waar in de ­jaren zestig mijn toenmalige vriendin haar schoenen kocht. De winkel heette toen nog geen Shoebaloo, ze zagen je aankomen, maar De Lange meen ik. Net wat ik zei. Die zoals altijd, zoals ik wist, een maat te klein ­waren. Bij haar dood liet ze kasten vol te klein gekochte schoenen achter.

Steven Sterk had geadverteerd met Leven met Reve: Sinds haar dagboeken wil ik alles van ­Michaelis. Maar eenmaal ter plaatse bleek Steven Sterk op­geheven en te huur.

Van alle hooggeplaatsten in mijn vriendenkring, voorzitters, dijkgraven, eindredacteuren, is de Groot Moefti wel de hoogstgeplaatste. De Groot Moefti is Groot Moefti van Amsterdam Noord en tevens onder het pseudoniem Jan Donkers schrijver van het standaardwerk over Amsterdam Noord, Zo dicht bij Amsterdam, een boek dat om de paar jaar met een nieuw hoofdstuk uitgebreid, herdrukt wordt.

Ook vermeldenswaardig is dat de Groot Moefti, die jarenlang ­gedreigd heeft het Centraal Station middels een bomgordel tot ontploffing te brengen, sinds een ritje door het fietstunneltje onder het CS geheel om is.

Enkele weken geleden leidde de GM een paar Amerikanen door de stad. Op de pont over het IJ wees hij hen op het Eye gebouw, wat ze prachtig vonden en daarna zei hij: Dat kon niet waar zijn, die dooie huizenblokken, Koolhaas, nee, de Moefti maakte een grapje zeker? Na raadpleging van Google raakten ze in een architectonische depressie die tot in de kleine uurtjes duurde.

Hoe anders was mijn­ ­reactie toen ik een paar jaar geleden ontdekte dat het Frans Otten Stadion dat uitkijkt op onze tennisactiviteiten van Rem Koolhaas is. Ik had het altijd een tamelijk lelijk gebouw gevonden, een ongeïnspireerde doos met lelijke betonnen uitlopers, maar ineens zag ik de schoonheid van het gebouw, hoe het landschap zich voegde naar de kracht van de architectuur, hoe alles samenvloeide en het geheel oneindig veel meer werd dan de som der delen.

Met een huis vol kinderen keken we tijdens de dodenherdenking naar de twee minuten stilte. Vreemd, dacht ik, kijken naar de stilte. Stilte is toch onzichtbaar, net als de tijd, de wind, de snelheid van het licht. Max Pam schreef dat de twee ­minuten stilte van de dodenherdenking vroeger werden aangekondigd doordat de straatlantarens gingen branden.

Dat was ik vergeten, maar zo was het. Iedereen stond voor het raam of op het balkon op het teken te wachten. En dan werd het stil. Toen al ­keken we naar de stilte. Wat ik niet vergeten ben, was de merelzang die je hoorde. Merels klonken nooit helderder en melodieuzer dan tijdens die twee minuten stilte. Wat ik weer wel vergeten was, is dat je vroeger af en toe nieuwe veters in je schoenen deed. En dat mensen een stukje gingen eten: Een glaasje drinken, hoor je nog wel. Ik doe dat als eerbetoon aan de in overleden dichter Jan Hanlo die ik de jaren voor zijn dood ­regelmatig heb ontmoet.

Hanlo was een wonderlijke man. Hij hield van motorfietsen, Vincents, kon op rijm middeleeuws spreken en droeg op feestjes vaak een gasmasker. Tijdens de Wereldtentoonstelling bij de moderne boekwinkel Bas in de Leidsestraat, in meen ik, waar de wereld tentoon werd gesteld, hield Hanlo een toespraakje, waarin hij een boekje liet zien dat bij de tentoonstelling was verschenen.

Maar hij liet het boekje niet alleen zien, hij zei het ook. Van het papier waarop zijn toespraak stond geschreven, las hij voor wat hij deed: Twee meisjes stonden er giechelend een selfie te maken.

Maar Paul de Leeuw was de man niet, dus waarom maakte hij een selfie? Ineens wist ik het. Tevreden fietste ik door naar de kapper, waar alle stoelen bezet waren. Toen de vrouw die voor mij was aan de beurt was, bleek ik aan de beurt. Zij was hier om haar zoon bij te staan. Ik nam plaats in de stoel van Alies uit Almelo die tijdens het knippen vaak zo gezellig met me praat. Alies keek me even onderzoekend aan en vervolgde toen haar gesprek met de moeder die haar zoon bijstond.

En dat het zo kort geknipt is, komt natuurlijk doordat je de kapster niks gezegd hebt. Maar het staat je goed. Op straat kwam ik Hanneke Groenteman tegen aan wie ik mijn verhaal vertelde. De enkele keer dat ik vroeg de deur uitga, verbaas ik me altijd over de activiteiten die al gaande zijn. De fietspaden zijn vol fietsers, de bakkers in hun ­witte werkkleding pauzeren voor de bakkerij met een beker koffie en een broodje, kappers knippen en de bloemenwinkel die tevens een galerie is met aan zijn wanden bloemstillevens en stadsgezichten, heeft de bloemen buiten gezet.

Of je in een parallel universum terecht bent gekomen. Ik zit in de tram en kijk naar de jonge vrouw aan de andere kant van het gangpad. Ze draagt een uniform met daaronder schoenen die zo glimmend zijn gepoetst als alleen uniformdragers schoenen poetsen kunnen. Ze ziet eruit ­zoals ik me in de vroege morgen vaak voelde, vroeger.

Dit als gevolg van de voorbije nacht, waarin het ene glas het andere uithaalde en het ene café als vanzelfsprekend naar het volgende had ­geleid. Ik hield van de stilte die voorafging aan het moment dat het ­leven in de stad hervat werd.

De plotselinge vuilniswagen, een rolluik dat rammelend omhoog ging, de zon die door de wolken brak en de overkapping van het Centraal Station verlichtte. De jonge vrouw had een vreselijke kater. Hij stond haar goed en ze had nog de hele dag om ermee te leren leven. Toen ik die avond met de laatste tram naar huis reed, zaten er naast mij twee jongetjes die allebei een klein voorwerp in hun hand hielden, een soort rad, dat ze konden laten draaien en dat dan strepen licht liet zien.

Met enige regelmaat begin ik kleine verzamelingen. Zo spaar ik sinds een jaar of twee platgereden en bij voorkeur roestige kroonkurken van bierflesjes.

Ik heb ze van Amstel en Heineken, van Jupiler, Texels, Grolsch, Argus en van merken die ik door de roest niet kan ontcijferen. Het aardige van de verzameling is dat hij de blik omlaag dwingt, waar zoals je al snel merkt veel te zien is. De schoonheid van putdeksels is vaak bezongen, maar het is toch anders als je ze in hun natuurlijke omgeving bekijkt in plaats van op een foto.

Je vindt spijkers en schroeven en af en toe een platgewalste kroonkurk voor de verzameling, heerlijk ogenblik.

Naast kroonkurken verzamel ik naamloze pleintjes. Wat niet eenvoudig is, want wat precies is een pleintje en wanneer is het naamloos? De straat die je van de J. Coenenstraat naar de Harmoniehof voert, brengt je bij een piepklein en driehoekig parkje, waar het voor jeugdige geliefden goed toeven is. Vanaf het bankje dat zij vrijwel permanent bezet houden, kijk je op een alleraardigst pleintje. Straat, parkje en pleintje heten Harmoniehof wat volgens mij een beetje veel van het goede is, maar of het pleintje in mijn verzameling hoort, ik ben er nog niet uit.

De foto van de haringkar op het Haarlemmerplein die in de haringkar hangt, is een mooi, maar niet helemaal juist voorbeeld. De foto van de Gerard Doustraat gezien vanaf de hoek van de Ruysdaelkade , waar rock- en bluesgitarenwinkel de Plug zetelt, is niet mooier maar wel een beter voorbeeld. Hij hangt op 8b in de etalage. Ze zijn terug, ze zijn terug. Ze scheren weer over de daken en jagen weer hoog door de straten, ze snijden door de lucht en schreeuwen, maar het is niet hun naam.

Dit is het moment om in een niet al te goed opgeknapte negentiende eeuwse buurt, in Pijp, Kinkerbuurt of Helmerskwartier een beetje slordige straat op te zoeken en daar een goede uitkijkpost te kiezen om vanaf de grond het schouwspel in den hoge in de ­gaten te houden. Negenduizend kilometer gevlogen om terug te keren op een nest in de Nicolaas Beetsstraat of het Bellamypleintje, een paar dagen bijkomen en dan weer aan de slag.

Want er moeten eieren worden ­gelegd en uitgebroed en jongen grootgebracht. In de negentien uur per dag dat er gevlogen wordt, moeten honderdduizenden insecten gevangen worden. De gierzwaluwen vliegt in groepen, en binnen de groep in paartjes, die elkaar in duettoon beschreeuwen, een heerlijk geluid, dat net zo bij de stad hoort als het bellen van de tram.

Gierzwaluwen lijken altijd ver weg. Zelfs als ik op vier hoog op mijn balkonnetje in de Bosboom Toussaintstraat stond, leken de gierzwaluwen ver bij me vandaan. En als er een vlak langs me vloog, deed hij dat zo snel dat ik hem niet beter zag dan vanuit de verte.

Tijdens een dodenherdenking op de Apollolaan zag ik eens een gierzwaluw uit de lucht vallen. Gierzwaluw op de stoep, vlak voor mijn voeten. Maar toen ik hem wilde pakken, vloog hij op en landde in een boom. De Franse dichter René Char schreef een gedicht over de gierzwaluw dat zo begint: Iedere keer als ik de stad in ga, lijkt het drukker geworden.

Meer en grotere groepen worden rondgeleid door gidsen met steeds langere stokken waaraan grote vlaggen wapperen, steeds meer jongelui stuntelen op gehuurde fietsen over de fietspaden, waarop steeds meer mensen maar een potje raak lopen. Mijn ogen zitten van voren en van ­achteren, bellen helpt niet en je hebt al je stuurmanskunst nodig om zonder schade aan fiets of toerist door de menigte heen te manoeuvreren.

Jelka was knap, brutaal en zat op hockey. Toen we van school waren, heb ik haar nog twee keer gezien. De eerste keer was ze op weg naar ­Jeruzalem waar ze iets ging doceren. De tweede keer was in café het Hooischip aan de Amstel. Ze ­herkende me aan mijn stem.

Ik herkende haar omdat ze mij ­herkende. Tijdens de meivakantie hebben we in wisselende samenstellingen steeds een stuk of drie, vier kinderen over de vloer gehad, jongens en meisjes, zo tussen de zes en de twaalf.

Om de een of ­andere reden dacht ik dat kinderen vandaag de dag de hele dag op hun telefoon zaten te kijken en nauwelijks een woord met elkaar wisselden, maar niets bleek minder waar.

Ze zaten gewoon urenlang te monopoliën of te hartenjagen en over de spelletjes te hakkentakken, heel herkenbaar allemaal. Af en toe kwam een moeder er een halen of brengen en dan hoorde je nog eens wat, want, dat moet gezegd, over hun privéleven ­waren de kinderen niet erg mededeelzaam.

De moeder van Manuel 11 vertelde over hun verhuizing van de Jordaan naar Nieuwendam en over de eerste keer dat ze haar zoon na de verhuizing van school kwam halen, zijn oude school in de Jordaan. Maar al wie er uit school kwam, geen Manuel, en bellen kon ze hem niet, want hij had geen telefoon. Dodelijk ongerust was ze tenslotte naar huis gereden.

Waar Manuel al op haar zat te wachten. Hij kent zijn stad, Manuel, zelfs de stukken waar hij nooit geweest is. De moeder van Nathan 6 vertelde dat haar zoon plannen had om een brug over de Atlantische Oceaan te bouwen, van Zeeland naar New York. Geen geringe ­ambitie voor een zesjarige. Hij had al becijferd hoelang het rijden was en hoeveel hotels er komen moesten onderweg. Intussen was er een einde gekomen aan een potje ­Monopoly en Rana zei: Om mijn geliefde te verrassen had ik op de Haarlemmerdijk een piepkleine gouache ­gekocht van Jaap Hillenius, de schilder die in , op de Willemsparkweg meen ik me te herinneren, tragisch aan zijn eind kwam toen hij werd overreden door een tram.

De gouache toont blije vlekken die half doorzichtig over elkaar heen schuiven en zo de lente zichtbaar maken. Terwijl mijn aankoopje werd ­ingepakt, raakte ik aan de praat met een schilderes die mooie kippenschilderijtjes maakt. Er was ook een boek van, zei ze, en dat boek liet ze me zien. Toen ik het doorbladerde, werd mijn aandacht ­getrokken door een schilderij van een onderzeeër. Als miljonair had hij toen het goede voorbeeld kunnen geven door een eerste ton beschikbaar te stellen, maar ja, hoe word je miljonair?

Door zuinig te zijn. En zuinig was hij, de columnist, zo zuinig dat Heineken hem een keer had opgevoerd in een advertentie, waarin gesteld werd dat hun bier nu zo lekker was, dat zelfs de ­columnist in kwestie wel een rondje geven zou, maar… Op dat moment viel de schilderes me in de reden en zei dat Maarten van Rossem niet de onderzeeër, maar haar schilderijtje had gekocht.

Jammer voor de onderzeeër, leuk voor het schilderij. Om de een of andere reden bleek ze die lach nog niet te hebben. Enige tijd geleden stond de postbode op de stoep met een doos die negentien deeltjes Bulletje en Bonestaak bleek te bevatten. Ik ben altijd gek op Bulletje en Bonestaak geweest. Ik houd van de droge precisie van de tekst van A.

Wat mij ook bevalt, is dat avonturen nog niet afgelopen zijn als ze afgebroken worden en ieder nieuw avontuur dus op een volstrekt willekeurige plaats lijkt te beginnen. Het mooiste avontuur vond ik in boekje negen, waarin Bulletje en Bonestaak op een onbewoond ­eiland zijn beland en kennis hebben aan de menseneter Dinsdag, die niet alleen op verbazingwekkende wijze lijkt op Oude Hein maar net als Oude Hein verbazingwekkende verhalen kan vertellen.

Ik herinnerde me het avontuur vrijwel plaatje voor plaatje. Wat ik me afvraag: Als je naar een tennistoernooi gaat, weet je wie je gaat tegenkomen, maar toch blijft het vreemd als je op de Valentijnkade, waar je nooit eerder bent geweest, ineens allemaal bekenden ziet.

Hé, daar komt Maarten Moll aan gefietst, en daar zal je Henk Spaan hebben, terwijl Janneke van der Horst ­binnen blijkt te zitten. Is het een Parool-toernooi misschien? Nee, het is een toernooi van Propria Cures, u weet wel, het studentenblad sinds In de tijd dat ik redacteur van Propria Cures was, werd er niet aan tennistoernooien gedaan.

Als de redactievergadering in het fietsenhok van Drukkerij Van Campen erop zat, liepen wij rechtstreeks naar het koffiehuis naast het stadhuis en gingen aan het bier, om een uurtje later in de speelhal op de hoek van de Oudezijds en de Damstraat te belanden.

Onze favoriet daar was de Gator, een flipperkast waarop heroïsche duels zijn uitgevochten. Mensje van Keulen stond haar mannetje, Tim Krabbé was denk ik de beste, Koen Koch de stilist en Peter Hagtingius zou later nog wereldkampioen worden.

En nu tennissen we dus en Maarten Moll werd kampioen. Op de terugweg belandden mijn geliefde en ik in Café Koosje waar we ons ouderwets bezondigden aan bier en wijn en bitterballen. Een tijdje later, op de tramhalte, stapten we tegelijk in met een dame die een peddel bij zich had.

Ik liep eens met mijn racket onder mijn arm over de Oudezijds Achter, toen een donkere schone die voor haar kamertje te swingen stond mij wenkte. Theo die als kind Kleine Theo heette om hem te onderscheiden van zijn vader, Grote Theo, die door neefjes en nichtjes ome ­Dorus werd genoemd, kent Oost zoals ik West ken, op zijn duimpje.

Hij weet precies waar een telefooncel heeft gestaan, of een transformatorhuisje of een stadsklok. Op het Krugerplein stond een transformatorhuisje dat zich als pannenkoekenhuisje had vermomd. Ook was er een fontein. We waren op weg naar de straat waar zijn ome Bennie had gewoond, de oom met wie zijn vader een steenhouwerij had gedreven. Nadat we de Ringvaart waren overgestoken, belandden we in een stil straatje waar een man driftig zijn stoep stond te vegen.

Voor zijn huisdeur stonden naast elkaar twee fietspompen, achter het raam zat een prachtige poes. De twee fietspompen waren nodig om er een functionerende fietspomp van te maken en de poes had een hartkwaal. Ook ons huis kent vele kamers. Zes om precies te zijn, de riante hal meegerekend. In deze hal hangt tussen tekeningen van Simon Vinkenoog en Remco ­Campert, schilderijtjes van Pam Emmerik en Han Bennink en een polaroid van Gerard Reve die zijn hoed opzet of juist afneemt, dat kun je op de foto niet zien, een zwart-witfoto waarop een volslanke vrouw in een witte jurk hand in hand met een man in een grijs pak van ons wegloopt.

Bezoekers vraag ik altijd of ze de vrouw herkennen en dat doen ze. De achterkant van Marilyn Monroe blijkt net zo herkenbaar als Marilyn Monroe van voren. Nu hebben velen van ons de achterkant van Marilyn Monroe wel eens gezien. In Niagara bijvoorbeeld wordt die achterkant uitgebreid in beeld gebracht, in volle werking. Maar wie kan zeggen dat hij ­Samuel Beckett wel eens van achteren heeft gezien?

Zoals je in de man met de tas en de regenjas die je vroeger wel door de stad zag scharrelen altijd Simon Carmiggelt herkende. Een tijdje terug fietste ik door de Vijzelstraat in de richting van de Munt toen ik aan de overkant een goede vriend langs het Stadsarchief zag lopen. Hij ging dezelfde kant op als ik. Ik zag hem dus op de rug, maar dat hij het was, leed geen twijfel. Zoetendaal heeft het over openingen, poorten, sleuven, spleten, kieren, een veelzeggende opsomming die bedoeld lijkt om Breitners liefde voor stegen te verklaren.

Maar misschien ook niet. Breitner hield van stegen, zoveel is duidelijk, zoals ik ook van stegen houd. De smalle reep licht hoog boven je, de V van lucht aan de twee uiteinden van de steeg, de permanente schaduw, de altijd aanwezige geur van pis, het heeft iets, waardoor het misschien wel de stegen zijn die een stad tot een stad maken.

In stegen valt altijd iets te beleven. Je wordt er beroofd en hoeren oefenen er hun handwerk uit, er worden drugs gedeald, er wordt gepist, gespoten, gevreeën en ­gevochten en als je mazzel hebt, is er ergens halverwege een verscholen deur die toegang geeft tot een houten trap die naar de verdieping leidt waar een oude Indische dame in bontjas op haar troon eenmaal in de maand audiëntie verleent aan de Indische jongens uit de buurt.

Ze had magere handen en droeg ringen met grote stenen aan al haar dunne vingers. Ze had grote ronde ogen en rook naar de specerijenwinkel. Als de rituele begroeting met mijn vriend ten einde was, reikte ze mij haar smalle hand die ik voorzichtig drukte, waarna wij haar achterlieten op haar troon en de steeg uitliepen naar de Geldersekade om daar aan te leggen bij een klopcafé.

Altijd op een vrijdag, het hele weekend nog voor ons. Ik zat buiten, want hoewel de dag voorbij was, was het lekker weer. Toen ik naar binnen ging om iets te bestellen, stond er een oude man aan de bar die bezig was hem stevig te raken.

Een moeder en dochter sloegen het met belangstelling gade. De dames vielen bijkans in katzwijm van verbazing. Brutaal geworden bogen ze zich vervolgens over zijn jeneverkelkje op de tap. Nadat de man dat had bevestigd, zei ze dat ze dat niet hadden in het Zuiden. Ik had inmiddels mijn biertje gekregen en ging weer buiten zitten, waar de oude man die Willem bleek te heten zich niet veel later bij me voegde.

Ik schoot in de lach. Maar nu ga ik naar huis. Daar ben ik nog voor het eerst beroofd. Door de jongste zoon van de Tokkies.

Van al mijn voetbalplaatjes. Mijn vriend de schaker, die geen schaakvriend is en met wie ik nog in de derde klas van de lagere school heb gezeten, de huidige groep 5 als ik me niet vergis, waar hij zich overigens niets van kan herinneren maar ik wel, vertelde me dat hij eens met een schaakofficial vanuit het Centrum naar West was gereisd, met de Kikker dus of met de Blauwe Tram, voor een schaakevenement dat plaatsgreep in het gebouw van de Wereldbibliotheek bijvoorbeeld of op het stadhuis van Sloterdijk, waar mijn ouders in de meidagen van ­getrouwd zijn, maar dit geheel terzijde.

Daar aangekomen had de official lacherig verteld dat hij vanuit de tram een winkel had waargenomen, die zich het Opklapbeddenpaleis noemde. Algemenen hilariteit onder het schaakvolk.

Maar inderdaad, het valt niet te ontkennen, in de nabije omgeving van de Admiraal De Ruijterweg had je de Stoffenprinses, de Gaskoning en de Stofzuigerkoning ze zitten er nog , een Beddenpaleis en de ­Tapijtkeizer.

En in de Elegaststraat woonde bovendien de Sjah van Barbarber. Barbarber was een langwerpig tijdschrift, dat vanaf werd geredigeerd door K. Brands en Brands was de Sjah van Barbarber. Brands heeft op een velletje ­boterhampapier eens een tekening van Okkie Pepernoot overgetrokken, en dan schreef hij ook nog Het laatste kwatrijn: Een sjah, een koning, een keizer, een prins, een prinses en een paleis, wat is dat toch met de Admiraal De Ruijterweg?

Naast mij klonk het antwoord: In de Halvemaansteeg was ik wegens trek een dönerzaakje binnengelopen. Aan het ­tafeltje bij het raam zat een grote witte man een enorme kapsalon weg te werken. Niet helemaal politiek correct leek me, maar het smaakte hem er niet minder om.

Nadat ik mijn keus had gemaakt, wendde ik mijn blik naar de kast met gekoelde dranken. Alleen maar limonade, stelde ik vast. Nou ja, halal, niks aan te doen. Van de Halvemaansteeg liep ik over de Kloveniersburgwal naar de Nieuwmarkt, waar op de kermis het vijftiende en laatste door Geert van Tijn georganiseerde KroegKorenConcours plaatsvond. Dat jureren is een aangenaam karweitje. Je luistert naar vrolijk gezang en je kijkt af en toe naar Geert die onder zijn hoge hoed gelukkig zit te wezen, vlak voor je neus zie de leuke ­dames van het Zeedijkkoor welhaast ongemerkt van dame in hoer veranderen en intussen houdt Van Luyn alles bij om er een spitse prijs­uitreikingsconference over te houden.

Nadat we voor Geert met zijn ­allen Aan de Amsterdamse grachten hadden gezongen, kregen de juryleden de traditionele fles ­korenwijn. Door de buurt liep ik naar de tram naar huis. De meisjes in hun neonverlichte kamertjes ­hadden hun vingers in hun poes of ­keken op hun telefoon.

En hopsa heisasa, want koude voeten, wintertenen, al dat kil en koud verdriet, heb je in de meimaand niet. Dat hield in dat de kinderen in de klas die lid waren van de AJC vrij kregen om in optocht door de straten te lopen, waarbij ze op trommels sloegen en rode vlaggen mee droegen. Hoewel ie van de toffelemonen was, vond ik hun optocht van die met broodjes en sinaasappels ­opgetuigde stokken toch leuker.

Net als mijn moeder, die als kind bij de padvinderij wou, wat natuurlijk niet mocht, stel je voor, een kind uit een keurig SDAP gezin bij de padvinderij!

Uiteindelijk heeft ze even bij de Rode Valken of zoiets gezeten. Heel even maar, want toen ze zestien was, ontmoette ze mijn vader en met hem ging ze lekker kanoën. Het gekke is dat ik tegenwoordig gek ben op de AJC en uit dien hoofde een trouw lezer ben van Het gele blaadje, een blad van en voor oud AJC-ers van Nederland.

In het zojuist verschenen 1 mei-nummer staat een verhaal van ­René de Cocq die er samen met een vriend in slaagt een 78 toerenplaat van Little Richards Tutti Frutti bij volksdansles binnen te smokkelen.

Toen de volksdanslerares even weg was, legden ze de plaat op de Trio-Track en: Als door een wesp gestoken vloog Jos de gymzaal in, wit van drift, sissend: Zijn jullie nou helemaal gek geworden. De winkel die beloofd had om tien uur open te zijn en waar ik om ik om tien uur voor de deur stond, bleek nog gesloten. Waarop ik tot een kleine wandeling besloot die mij na enkele stappen al voor de etalage van een postzegelwinkel bracht.

In deze etalage vallen behalve postzegels vaak kleine zilveren voorwerpen te bewonderen als snuifdozen, ­sigarettenkokers, roomkannetjes. Deze keer stond er een niet onaardig peper en zoutstel. Wat er ook stond, was een bakje vol priegelige muntjes. Vier keer geluk voor een tientje, een aanbod dat je niet kunt weigeren. Groot geluk doorstroomde mij toen ik even later met mijn vier halve centen weer buiten stond, want daar, op het fietspad fietste een leuke jonge vrouw voorbij die in een hand een grote tak bloeiende perenbloesem meevoerde.

Fluitend liep ik naar het dichtstbijzijnde boekenkastje, waar het Schrijversprentenboek Jacobus van Looy al op mij te wachten lag. Thuis bekeek ik de plaatjes en ik las deze uit daterende tekst van Van Looy: En plotseling, met die stem eens dichters die de woorden zo lief heeft, zei hij: In de Spiegelstraat gaat het snel bergafwaarts.

Was het tot voor kort een straat vol mooie antiekwinkels en ­galerieën, nu worden er hamburgers verkocht en namaakkunst in ­namaak gouden lijsten. In de etalage van de buurman staat een enorme afdruk van de ­foto waarop Sophia Loren tijdens een etentje schuins in het decolleté van Jayne Mansfield zit te ­loeren. Ik word altijd vrolijk als ik de foto zie en ik ben niet de enige. De ene toerist na de andere houdt de pas in om zich breed grijnzend voor de foto te laten fotograferen, waarna ze hun weg vervolgen.

Ik voeg me in de stroom, en loop mee in de richting van het Rijksmuseum. In de passage onder het museum klinkt een strijkkwartet.

Een man blaast op een saxofoon, maar Sonny Rollins is hij niet. Proefpersonen moesten aangeven in welke mate ze afgeleid, geïnteresseerd of juist verveeld waren tijdens het eten. Valentijnsdag, de dag van de liefde. Een dag die de een stilletjes voorbij laat gaan, terwijl de ander het uitgebreid viert. Waar het precies vandaan komt, zijn we nog steeds niet over uit. Wel is het een dag waar je inmiddels niet meer omheen kunt. Of je nou samen bent met de liefde van je leven, een spannende date hebt, enorm veel liefdesverdriet hebt of gewoon een anti-Valentijn bent, er wordt op de 14e van februari een hoop muziek geluisterd.

En als ze ergens weten wat voor muziek er wordt geluisterd, dan is het bij de streamingdiensten wel. Spotify besloot te kijken naar de data van en en kwam er zo achter wat de meest sexy, liefdevolle, verdrietige en anti-Valentijnsdag muziek is. Je houdt ervan of je haat het, maar je komt er niet onder uit. Vandaag is het weer Valentijnsdag.

Al een paar weken ontkom je niet aan de reclames of vragen wat er nou eigenlijk op jouw programma staat. In vierde één op de drie Nederlanders Valentijnsdag. Die groep die zo fanatiek de liefde celebreert, geeft elk jaar meer geld uit aan de liefde dan een jaar eerder. Onderzoeksbureau Motivaction deed onderzoek naar de cijfers onder Nederlanders met de Feestdagenmonitor.

Hopelijk heel vaak, want wij kunnen bijna geen uitspraak bedenken die duidelijker maakt dat je om iemand geeft. Dat je het belangrijk vindt dat degene heelhuids thuiskomt. Niet gek dus dat schrijfster Kayleen Schaefer deze zin gebruikte als titel voor haar boek over vrouwenvriendschap: Want vriendschap tussen vrouwen, dat blijkt zelfs in nog steeds een lastig dingetje.

In plaats van oprecht om elkaar te geven en samen sterker te staan, zien veel vrouwen elkaar nog steeds als concurrenten en is er onderling veel afgunst. Winkelen in enorme ketens als Primark kan nog weleens lastig zijn.

Afgezien van de hoeveelheid aan kledingstukken, schoenen en andere prullaria waardoor je soms door de bomen het bos niet meer ziet, ben je in de winkel soms met honderden anderen. En dat kan zorgen voor, ehm, vergissingen. Zo merkte ook de Schotse Natalie Brayshaw. Ze was in een pashokje spullen aan het passen, toen ze een mooie beha zag hangen. Hij paste goed en zat lekker, maar de Schotse zag geen prijskaartje aan de hanger.

Navraag bij het personeel leerde Brayshaw dat ze hoogstwaarschijnlijk een bustier aan het passen was van een klant: De kans was groot dat een stelende klant het ondergoeddeel had verruild voor een exemplaar van de winkel, en haar eigen beha had achtergelaten. Ze zijn een veelbesproken generatie, de millennials.

Of daar nu een kern van waarheid in zit of niet, millennials zelf weten heel goed welke geruchten de ronde doen over hen. Een pikante foto naar je baas, het eten van je schoonmoeder beledigen of tegen een glazen deur aanlopen.

Het zijn blunders die we allemaal kennen van de verhalen maar we hopen dat ze ons nooit overkomen. En als dat wel gebeurt, wat moet je dan? Inge Welvaert is expert in blunders begaan en heeft de oplossingen gebundeld in Het Blunderboek. Ik ben iemand die constant gekke situaties meemaakt. Daar heb ik enorm de humor van leren inzien. Hallucinaties komen vaak voor bij ayahuasca-rituelen Foto: Weleens van ayahuasca gehoord? Deze drank, die oorspronkelijk door volkeren uit het Amazonegebied bij een ritueel wordt gebruikt, zou als middel tegen depressie en alcoholverslaving kunnen dienen.

Ayahuasca is een bruinroodgekleurde thee, die wordt gemaakt uit twee planten. Bij inname ervan komen gebruikers in een heftige roes terecht. Aanvankelijk moeten ze vooral veel overgeven en krijgen ze last van diarree en zweetaanvallen. Hierna treden vaak sterke hallucinaties op. Het ene na het andere initiatief wordt uit de grond gestampt en vooral in onze hoofdstad kun je het zo gek niet bedenken: Vrouwen krijgen 25 procent korting wanneer ze ongesteld zijn. Vrouwen die tijdens hun menstruatie willen stappen, doen dat het beste in de Israëlische stad Tel Aviv.

Ze zijn snel, zijn ineens weg als je de andere kant op kijkt en kunnen zich in ieder hoekje en gaatje van je huis verschuilen. Wij kunnen wel een aantal redenen bedenken waarom spinnen eng zijn. Nieuw onderzoek toont aan waarom jij eigenlijk zo in paniek raakt van een spinnetje: Arachnofobie is de meest voorkomende fobie ter wereld. In Nederland lijdt ongeveer 1 op de 10 aan een angst voor spinnen, en dat terwijl er geen gevaarlijke spinnen in Nederland leven.

Tot nu toe was het altijd de vraag of deze angst aangeboren of aangeleerd is. Drie lagen kleding, een dikke sjaal, verwarming op standje bejaardenhuis, maar toch heb jij het nog steeds koud. En dat terwijl je partner erbij loopt alsof het hoogzomer is.

Hoe is dit mogelijk? Dat je een koukleum bent is duidelijk, maar waarom dat het geval is, is je nog steeds niet duidelijk. Hierbij een aantal fysieke en mentale redenen waarom jij het altijd zo snel koud hebt:.

We spenderen ongeveer een derde van ons leven aan slapen. En tijdens dat slapen dromen we flink. Waarom dromen we eigenlijk en wat zegt dat over jezelf?

Het overkwam Louise Parker, die voor Balenciaga de schaar in haar lokken zette. Dit schrijft het jarige model in een open brief naar website The Cut. Ze werd door het designermerk benaderd omdat het interesse in haar zou hebben voor een nieuwe show. Omdat ze haar werk serieus neemt, besloot ze toe te stemmen.

Onzeker over je positie op het werk, wil jij meer waar voor je geld of meer groen in je leven? Dan wordt het misschien maar weer eens tijd om je Duits bij te spijkeren.

Voor onze rust kunnen we namelijk het best direct naar Duitsland verhuizen. De minst stressvolle stad ter wereld is Dat blijkt uit een onderzoek naar stress in de steden. De bewoners van Stuttgart voelen zich veilig, hebben een hoge koopkracht en ervaren gendergelijkheid. De stad scoort daarentegen wat minder op het gebied van geluidsoverlast en licht. De top 3 wordt aangevuld met Luxemburg Stad en Hannover.

Opvallend is dat ook andere Duitse steden, zoals München, Hamburg en Dresden, het goed doen. Zij staan alle drie in de top Dit doet het met je lichaam! Dit zijn de beste standjes voor een vluggertje. Wie is toch die knappe, single neef van prins Harry? Getty Images Elselotte Smink.

..

SEXDATE GEZOCHT STIEKEM SEX OP SCHOOL

: Borsten en sex stofzuiger neuken

Borsten en sex stofzuiger neuken Als goed is, is hij er zo. Gerustgesteld ging ik de deur uit, richting Concertgebouw en vandaar door de Van Breestraat naar de Valeriusstraat. En als dat wel gebeurt, wat moet je dan? De vorderingen benadeelde partijen. Altijd komt ie weer langs en altijd is ie in al zijn helderheid even mysterieus.
Borsten en sex stofzuiger neuken 623
Borsten en sex stofzuiger neuken Gebeft worden meedoen aan gangbang
De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met voornoemde veroordeling. Dan kan dat als gevolg hebben dat je de eerstvolgende keer wat langer nodig hebt om op gang te komen. Op dat moment zag ik dat er in de deuropening van het huis twee kleine kinderen achter een tafeltje zaten met wat spulletjes erop. Doet tel uit kan ik foto sturen en appen als k klaar ben. Een paar weken later hadden ze weer ruzie. En dat terwijl je partner erbij loopt alsof het hoogzomer is.

HETE TIENER MEISJES HEERLIJK GENEUKT WORDEN

(De Morgen, 30/06/); German parliament set to legalise same-sex marriage as issue exposes rift . 'Een goede herder neukt zijn schapen niet' (Knack+, 28/ 06/) . Voor het eerst blote borsten in 'Suske en Wiske' (De Standaard, 24/ 06/) .. 'Een weegschaal als geschenk is nog erger dan een stofzuiger' (De . 16 nov Het was niet de moeite waard ergens een stofzuiger te lenen om het Ik speel overdag, ik neuk bij het vallen van de avond, en ik werk 's. Hier kunnen topics geopend worden over Sex, Jongens, Meiden, Foto's, Piercings, Het algemeen bekende neukbaar of niet topic, waarin je vleesch beoordeeld op het . als je zonodig wil stofzuigen dan kan je dat stukje voor de TV ook wel even over slaan en Absoluut neukbaar, zeker nu ze eindelijk borsten krijgt. AMATEUR ESCORT LIMBURG EROTISCHE MASSAGE HAARLEMMERMEER

Author: Hilton Rodda